Feesten

Home → Thema’s & Lessen voor groep 3/4 → Familie →

 

Feesten

Sociale relaties / thuis op school / mijn familie / feesten

Hoe wij feest vieren

Nina, groep 3 / 4: ’Je kan kerst ook gewoon zonder Jezus, zonder God vieren’.

Kern
De leerlingen zijn de deskundigen; ze wisselen uit welke feesten ze thuis vieren en hoe ze dat doen. Verdere info opzoeken kan later nog

Specifieke doelen Sociale competentie:

  • De leerlingen ervaren dat hun thuiscultuur er op school toe doet
  • Ze tonen betrokkenheid bij de feesten van klasgenoten, ook als ze die zelf niet vieren
  • Ze zien in dat het vieren van dezelfde feesten vaak net even anders gaat, maar dat er ook overeenkomsten zijn in feesttradities en rituelen

Taal: tussendoelen EN
Actief deelnemen aan gesprekken in kleine en grote groepen; het initiatief nemen; elkaar tot interactie stimuleren (in de rol van spreker en luisteraar)
De leerlingen vertellen vrij over hun eigen ervaringen met feesten
Onderhandelen over betekenissen
De leerlingen ontdekken dat feesten voor ieder een andere beleving hebben
Uitbreiding, verdieping en verbreding van de woordenschat
De leerlingen leren begrippen die te maken hebben met (religieuze) rituelen

Middelen:
Een voorleesverhaal over een komend feest
Tekenpapier
Kladblaadjes
Schrijfgerei
Computer
Een scanner
Een digitaal schoolbord of een computer met beamer.

Vooraf:
Vaak besteden leraren in december extra aandacht aan feesten, maar dan ligt de nadruk sterk op Sint Maarten, Sinterklaas en Kerst. Op een ander moment zal de inventarisatie en uitwisseling veel rijker kunnen zijn. Sluit bijvoorbeeld aan bij een speciaal feest dat een of meer leerlingen meemaakten, bijvoorbeeld het Suikerfeest (afsluiting van de ramadan), Joods Nieuwjaar, (sept / okt), Chinees Nieuwjaar (jan / feb), Divali (India, het lichtjesfeest, okt / nov).

Inhoud

Introductiekring

Lees een verhaal voor over een feest dat er binnenkort aankomt of vertel er zelf een verhaal over. Kies een verhaal waarin ook de (religieuze) oorsprong van het feest aan de orde komt, of vraag leerlingen of ze weten waar het feest vandaan komt.
Laat enkele leerlingen vertellen of ze dit feest thuis vieren en wat ze dan doen. Vraag regelmatig bij wie het een beetje anders gaat.
Vraag de leerlingen om andere feesten te noemen, die ze thuis vieren. Focus in de eerste plaats op ‘kalender-feesten’, die veel mensen tegelijk vieren. Vraag wat er speciaal is aan die feestdagen. Is er feest-eten, horen er versieringen of speciale kleding bij? Wat doe je op zo’n dag anders dan op andere dagen? Houd op het bord een lijst bij van alle feestdagen die genoemd worden. Probeer op een terloopse manier aandacht te besteden aan culturele diversiteit. Stel dan vragen aan de hele klas, zodat leerlingen zich niet gedwongen voelen om er iets over te vertellen omdat het om ‘hun’ cultuur gaat, bijvoorbeeld: Vorige week was het offerfeest, heeft iemand van jullie dat thuis gevierd? Wil je er iets over vertellen? Of: Wie weet wat het offerfeest is?

Tip
Als je leerlingen met een niet-westerse culturele achtergrond hebt, geef hen dan de beurt als ze iets willen vertellen maar spreek hen niet direct aan over bijvoorbeeld islamitische of Hindoestaanse feesten. Het kan zijn dat ze die thuis niet vieren, of dat ze niet weten wat de achtergrond is, en misschien ervaren ze praten over ‘hun’ cultuur als een ongewenste benadrukking van hun ‘anders-zijn’. willen ze ook niet dat hun ‘over spreken omdat ze liever niet als dan nodig hen dan uit om te vertellen welke feesten zij thuis vieren, maar Besteed ook aandacht aan religieuze aspecten. Maak duidelijk, als de leerlingen dat niet zelf doen, dat je religieuze feesten ook kunt vieren als je niet gelovig bent.

Juf Gea leest (half december) het kerstverhaal voor, over de geboorte van Jezus. Ze vraagt waar het verhaal over gaat. Sterre antwoordt: ‘Over God’. Een klasgenoot vraagt: ‘Wat is God?’ Merdan zegt: ‘God is Allah, waar wij in geloven’. Nina ziet het anders: ‘In God geloof je als je vroeger bent gedoopt. Dan ga je later in God geloven.’ Simone zegt: ‘Ik geloof niet in Jezus’. Twee klasgenoten vallen haar bij: ‘Ik ook niet.’ Joey gelooft evenmin, ‘maar we vieren kerst heel leuk.’ Volgens Nina is dat normaal: ‘Je kan het ook gewoon zonder Jezus vieren.’
‘Ja’, zegt juf Gea, ‘je kunt kerst toch vieren, ook als je niet gelovig bent. Vandaag gaan gaan we het hebben over feesten vieren’. ‘Leuk!’, vindt Lisa.
Juf Gea vraagt hoe de leerlingen kerst vieren. Ze gourmetten, geven cadeautjes, versieren een kerstboom en sommigen gaan naar de kerk. Sterre: ‘Mijn broer en ik waren naar de kerk gegaan en toen liet een meneer ons zien dat Jezus steeds onder het kruis viel. En daarna mochten we zitten en toen gingen we luisteren naar het verhaal van Jezus. Die ging eerst dood en toen ging hij weer leven en daarna ging hij nog een keer dood’. Juf Gea wil weten: ‘Is dat een verhaal uit jullie geloof?’ ‘Nou’, antwoordt Sterre, ‘wij geloven er niet in maar we luisteren er wel naar.’
Na een paar verhalen over cadeautjes vraagt juf Gea: ‘Wie viert er thuis ook wel eens een ander feest?’ Salima zegt: ‘het Suikerfeest en het Offerfeest’. Gea: ‘het Offerfeest dat was maandag hè, hoe hebben jullie dat gevierd?’ Salima vertelt: ‘We kregen bezoek en we kregen een experimentenboek.’ Bart wil weten wat een experimentenboek is. Salima: ‘Dan doe je allemaal dingen (een klasgenoot preciseert: ‘proefjes’) en ik heb gisteren iets gedaan. Toen heb ik een citroen geperst en toen had ik een muntje erin gedaan en toen was het heel schoon.’ Juf Gea: ‘Wat leuk, een boek met proefjes.’ Salima: ‘En mijn zus die heeft een ei in het water gelegd en nog wat zout erbij gedaan en toen ging ze roeren en toen ging het ei omhoog.’ Juf Gea: ‘Door het zout. Leuk, misschien kan je het boek een keer mee naar school nemen. Wie viert er nog andere feesten?’
Bij Samira gaan ze de kerstboom versieren en cadeautjes uitpakken met kerst, en ze vieren ook het Offerfeest. Dan eten ze schapenvlees. Juf Gea vraagt of ze het thuis vieren of dat ze ook naar de moskee gaat. Samira zegt: ‘Soms gaat m’n vader naar de moskee’. Berkan gaat wel eens met zijn vader naar de moskee, ‘en op dinsdag ga ik alleen, dan heb ik les, ik zit op een echte koranboek. Ik heb die kleine boekjes al af, ik heb nu zo’n grote dikke’. Met zijn handen laat hij zien hoe dik het boek is. ‘Ik weet al een woord, mag ik het voorzeggen?’ ‘Goed’, zegt juf Gea. Berkan reciteert een soera uit zijn hoofd. Zijn klasgenoten beginnen spontaan te klappen. ‘Knap hoor’ zegt juf Gea. Sterre merkt op: ‘Je geeft hem een compliment.’ Nina voegt eraan toe: ‘we gaven eigenlijk allemaal een compliment, omdat we klapten.’ Tijmen steekt twee duimen in de lucht en kijkt bewonderend naar Berkan.

Enkele leerlingen vertellen nog over het Suikerfeest. Nina vraagt: ‘Eten jullie dan suiker?’ ‘Nee’, zegt Salima, ‘dan ga je snoepjes eten’. Samira weet dat Suikerfeest het eind van de ramadan is. In de Ramadan ga je vasten. Sterre zegt: ‘Met de ramadan ga je heel laat eten.’ ‘Mijn zusje doet ook Ramadan’, vertelt Samira. Berkan en Salima hebben het ook wel eens een dagje geprobeerd. Berkan: ‘Ik had helemaal geen honger’.
Mira wil weten: ‘Waarom hebben zij zoveel feesten?’ ‘Poe’, zegt juf Gea, ‘kan iemand daar een antwoord op geven?’ Sterre zegt: ‘In alle landen is het een beetje anders’. ‘Dus in het ene land vieren ze meer feesten en in het andere land wat minder. Dus het heeft er ook mee te maken uit welk land je komt’, vat Gea samen. Joey zegt: ‘Wij hebben niet zoveel feesten.’ Elsa is het niet met hem eens: ‘We hebben wel veel feesten want je familie die is ook jarig, dus…’ Gea vraagt welke verjaardagen Elsa thuis viert. Dat zijn er elf. Juf Gea gaat terug naar feesten die veel mensen tegelijk vieren. Ze maakt een lijst op het bord. Carnaval, Sint Maarten Pasen, Sinterklaas en Oud en Nieuw komen er nog bij.
Voor het speelkwartier komt Salima naar juf Gea toe. Ze zegt: ‘Ik weet waarom we schaap eten met het Offerfeest. Ibrahim die moest zijn zoon slachten, dat was in zijn droom gekomen, en dat kwam ook echt uit, en toen hij op het punt om te beginnen zat toen kwam een engel uit de lucht en die zei: Stop, Allah geeft jou een schaap.’

Juf Gea is erg tevreden over het gesprek. Ze twijfelde vooraf of het wel goed zou gaan, omdat ze niet van tevoren info had kunnen opzoeken over de feesten die zij niet kent. Maar achteraf vind ze deze start juist fijn: nu waren het de leerlingen die meer wisten dan zij. In de week erna gaat ze door op het thema feesten, en dan legt ze allerlei ‘feestboeken’ in de boekenhoek. Ze is verrast dat Sterre en Nina iets wisten te vertellen over het Offerfeest en het Suikerfeest: ‘Geweldig!’

Aan het werk

Laat de leerlingen een tekening maken van hun lievelingsfeest, en op een kladblaadje op te schrijven wat ze speciaal vinden aan die dag.

Afsluiting

De leerlingen vertellen in een vertelronde wat ze getekend en geschreven hebben.

Vervolgactiviteiten

Tentoonstelling
Laat de leerlingen hun tekst intypen op de computer.
Print de teksten. Plak de tekeningen op een iets groter vel en plak de geprinte tekst erbij. Maak een tentoonstelling aan de wand van de klas.

Aandacht voor feestdagen
Verzamel bibliotheekboeken over de verschillende feesten. Houd in de gaten wanneer er feestdagen zijn die wellicht door leerlingen uit jouw klas gevierd worden. Lees rond die feestdag een verhaal over dat feest voor. Leg de eerder gemaakte tekeningen over dit feest in de kring, en vraag de makers of ze er nog iets meer over willen vertellen.

Meester Robert zegt in een kringgesprek: ‘De Ramadan is vandaag begonnen. Weet iemand van jullie wat dat is? Sibren zegt: ‘Dan ga je niet eten en drinken’. ‘Wil iemand er nog meer over vertellen?’ vraagt meester Robert. Emine, met ouders uit Egypte, steekt haar vinger op: ‘Je gaat in de ochtend heel vroeg eten, dan ga je helemaal echt niks eten, alleen maar als het weer donker is mag je eten’. ‘Ja’, zegt Robert, ‘je eet dan niet als de zon op is, en als het weer donker is ga je weer eten’. Emine vult aan: ‘Als er dan opa’s en oma’s zijn, dan hoeven ze dat niet te doen want dat kunnen ze niet.’ Tijmen vraagt de beurt: ‘Aan het eind van de Ramadan is het Suikerfeest’. Meester Robert: ‘En wie weet wat het Suikerfeest voor een feest is?’ Ollie zegt: ‘Dat is dacht ik een feest dat je viert dat je de ramadan hebt gedaan.’ Emine: ‘Dan krijg je geld van papa en mama.’ Sibren wil ook nog iets vertellen: ‘En je doet ook Ramadan om te denken aan mensen die in arme landen leven’. Meester Robert bevestigt: ‘Ja, je denkt erover na: wij hebben altijd lekker eten en drinken, en niet iedereen heeft dat, dat klopt Sibren.’ Hij sluit het gesprek af met: ‘Als het straks Suikerfeest is, zullen we nog eens kijken hoe dat precies gaat.’ Emine knikt.