Gevoelens benoemen en herkennen

Home → Thema’s & Lessen voor groep 3/4 → Gevoelens en kwaliteiten →


Gevoelens benoemen en herkennen

Identiteit /Gevoelens en kwaliteiten / Gevoelens

‘Ze is verdrietig want ze kijkt een beetje naar beneden’

Kern
Leerlingen leren hun eigen gevoelens in woorden uit te drukken en die van anderen te herkennen.

Specifieke doelen Sociale competentie:

  • De leerlingen reflecteren op zichzelf en leren zichzelf en anderen beter kennen.
  • Ze zien in dat hun emoties positieve of negatieve reacties bij anderen op kunnen roepen
  • Ze zien in dat anderen gelijkaardige gevoelens hebben maar die emoties verschillend kunnen beleven
  • Ze zien in dat ook minder ‘stoere’ emoties als bang of verdrietig zijn bij iedereen voorkomen

Taal: tussendoelen EN
Taalgebruik
De leerlingen benoemen en beschrijven hun eigen emoties
Uitbreiding, verdieping en verbreding van de woordenschat
De leerlingen ontdekken dat bij iedere emotie woorden horen die ermee samenhangen
Ze leren woorden voor gevoelens kennen en toepassen
Ze leren hun emoties zo exact mogelijk te verwoorden

Doelgericht taalgebruik in reële contexten
De leerlingen leren de wijze waarop ze gevoelens ervaren zo precies mogelijk te beschrijven.
Ze ontdekken hoe anderen emoties ervaren
Relatie tussen gesproken en geschreven taal
De leerlingen schrijven en tekenen bij wat ze eerder mondeling hebben verwoord

Middelen
De emotieposter, voor € 7 te bestellen op www.bazalt.nl
Eventueel gefotografeerd en geprojecteerd op het digitale schoolbord.
Groep 3: Werkblad voor iedere leerling
Groep 4: Schrijfblaadjes voor iedere leerling

Vooraf
Kies een basisemotie of een complexere sociale emotie zoals schaamte, schuldgevoel, jaloezie of verlegenheid en zoek een verhaal waarin deze duidelijk naar voren komt, of bedenk een verhaal rond die emotie uit je eigen kindertijd of recente ervaring. Maak een lijst met woorden die je aan bod wilt laten komen. Bijvoorbeeld bij ‘je schuldig voelen’: angst, spijt, straf, onrust, wensen dat je iets weer ongedaan kunt maken, en het gedrag dat uit schuldgevoel kan voortkomen: ontkennen, jokken, je terugtrekken, schuld bekennen, goedmaken, je schamen. Of bij ‘jaloezie’: afgunst, de kift, wensen dat je het zelf had, spijt, schaamte, en het gedrag dat uit jaloezie voort kan komen: buitensluiten, plagen, gemeen doen, roddelen, kattig zijn, afpakken, iemand vermijden.

Inhoud

Intro gevoelens

Lees het gekozen verhaal voor in de kring. Praat met de kinderen over deze emotie. Hebben ze die ook wel eens? In welke situatie? Gebruik regelmatig de woorden uit de woordenlijst die je hebt voorbereid. Geef eventueel ook een eigen voorbeeld van het gevoel uit het verhaal.

Juf Marion vertelt: ‘Ik was drie of zo, en toen wilde ik altijd de deur dicht als ik ging slapen. Maar een keertje wilde ik te deur graag open hebben. En toen gebeurde er iets heel engs. Ik droomde dat er een heel groot monster binnen kwam. En daarom doe ik ook nu nog altijd de deur dicht van mijn slaapkamer. Omdat ik zo bang was geworden.’

Vraag vervolgens: Wie heeft ook wel eens zoiets gehad? Inventariseer eventueel de situaties op het bord.

Bij Marion ging het zo. Abdul beweert: ‘Ik ben nooit bang’. Hagar zegt: ‘Ik ben bang dat ze gaan inbreken’. Dogan: ‘Ik hoef nooit bang te zijn want ik heb zo’n robot die mijn kamer kan bewaken en als er iemand komt doet hij Iiiieeuw’. Marion: ‘Dan gaat die robot jou verdedigen?’ Dogan: ‘Ja, en hij kan me ook wakker maken’. Saadia was bang toen ze naar de tandarts moest. ‘Omdat het pijn doet.’ Vervolgens vraagt Marion naar situaties waarin de leerlingen boos, blij of verdrietig waren. Vrijwilligers beelden voor de klas een emotie uit met hun lichaam. De anderen raden om welke emotie het gaat. Salima kiest voor bang. Ze wendt haar lichaam af en buigt haar hoofd. Marion zegt: ‘Kijk maar eens precies naar hoe ze staat. En let ook op haar ogen. Je kunt echt zien dat ze bang is.’

De leerlingen maken een tekening en schrijven een tekst bij een van de emoties: bang, boos, blij of verdrietig.

Toelichting: Voor kleuters gaat het in de eerste plaats om de hoofd-emoties: blij, bang, boos of verdrietig. In de groepen 3 en 4 kunnen leerlingen ook ingewikkelder ‘sociale’ emoties benoemen en toelichten, zoals schaamte, verlegenheid, jaloezie en trots zijn.
Leg bij het bespreken van de hoofd-emoties voor deze leeftijdsgroep de nadruk op: Hoe voel je het, waar voel je het, wat kun je doen om niet meer bang, boos of verdrietig te zijn, hoe kunnen leerlingen elkaar daarbij helpen?

Tip: Geef de leerlingen vervolgens de ruimte om zelf emoties te benoemen. Als leeftijdgenoten vertellen over situaties waarin ze een emotie voelden, kunnen anderen die emoties gemakkelijker bij zichzelf en anderen gaan herkennen. De Emotieposter (zie boven) toont een breed palet aan emoties en kan als inspiratiebron dienen door leerlingen er een te laten kiezen die ze herkennen.

Salima vertelt: ‘Ik was bang toen ik moest afzwemmen.’ Juf Marion vraagt: ‘Was je toen ook een beetje zenuwachtig?’ ‘Ja’, antwoordt Salima, ‘en bang.’ Najar reageert: ‘Ik was niet bang geweest, maar wel zenuwachtig’. Osman was wel bang, ‘want misschien kon ik wel in de water gaan blijven en dood’. Marion vat samen: ‘Dus je was bang dat je zou gaan verdrinken. Maar heb je wel je diploma gehaald?’ ‘Ja’, zegt Osman.

Vervolgactiviteiten

Tekeningen maken en bespreken
Laat de leerlingen gezichten tekenen van hoe ze eruit zien als ze de emotie(s) hebben die in de groep besproken zijn.
Leg alle tekeningen op de grond in de kring en vraag de leerlingen op welke tekening ze een emotie herkennen, en waar ze dat aan zien.

Dramatiseren
Een gesprek over sociale gevoelens is een goede aanleiding voor dramatiseren. Laat leerlingen in een groepje eigen ervaringen met een emotie inventariseren. Ze kiezen een van die verhalen, oefenen en spelen het in de kring. De anderen proberen met vragen erachter te komen om welke emotie en om welke situatie het gaat. Zo leren de kinderen ‘emotiescripts’ kennen: patronen in gevoelens die door bepaalde situaties opgeroepen worden en de wijze waarop die emoties worden geuit, ook in gezichtsuitdrukkingen en houdingen.

Lekker griezelen
Voorbereiding: Maak, bij wijze van verrassing, een ‘spookgang’ in je lokaal door de tafels op een rij te zetten en te bedekken met laag afhangende kleden. Hang daar bijvoorbeeld spinrag (wollen draden), vette plastic spinnen, geraamtes en natte sponsen in. Dim het licht en zet eventueel een cd met spookgeluiden op. Of volg de link: http://users.telenet.be/HappyHalloween/Griezelmuziek.html en zet de luidspreker van je computer aan.
Je kunt ook van tevoren met de leerlingen bedenken, hoe je in de klas iets kunt doen om een plezierig / eng gevoel te krijgen, zoals op de kermis.

Uitvoering: Laat de leerlingen één voor door de spookgang kruipen. Druk hen op het hart, om niets te zeggen tegen de kinderen die nog staan te wachten op de gang. Vraag hen ook, om goed op te letten wat ze voelen net voor ze in de spookgang gaan, als ze erin zijn en als ze er weer uitkomen.

Juf Britt, groep 3, heeft een spookgang gemaakt in de hal vlak bij de klas. De kermis, die op dat moment in de buurt staat, is aanleiding voor een schoolbreed thema ‘kermis’. Britt werkt het begrip ‘eng’ uit in een lessenserie.

Les 1: In de gang zet Britt een spookmasker op. Ze roept met een zware en trage spookstem: ‘Kommm naaarrrr de gaaang….’ Terug in de klas vraagt Britt wie het durft, naar de gang gaan. Alleen Joyce wil niet. De leerlingen sluipen op handen en voeten de klas uit, doodstil. Twee aan twee kruipen ze door de spookgang. Joyce staat achteraan. Britt vraagt haar nog eens of ze toch niet wil, met een vriendinnetje. ‘Nee’, zegt Joyce.
Weer in de kring vraagt Britt de leerlingen om nog even terug te denken aan hun gevoel, voor de spookgang en erin. De leerlingen willen allemaal iets vertellen. Britt laat hen eerst in tweetallen aan elkaar vertellen wat ze zagen en wat ze voelden. Dan vertellen ze in de kring wat ze van hun maatje gehoord hebben. Pina zegt: ‘Lucie zag zo’n spin met draden. Ze schrok zich kapot.’
Britt vraagt ook nog wat Joyce voelde. ‘Dian ging naar binnen en toen begon ze te gillen.’ Britt: ‘Vond je het eng of zo spannend, dat je het niet wilde?’ Joyce: ‘Ik vond het een klein beetje spannend.’
Sander vond het saai, en ook Koen zegt dat. Beide jongens hebben wel volop meegedaan. Britt gaat niet in op het verschil tussen jongens en meisjes, maar constateert dat het voor iedereen een beetje anders is. ‘Je voelt niet altijd hetzelfde als iemand anders. En het is ook best moeilijk om te weten wat je precies voelt. Of misschien wil je het niet vertellen, dat kan ook.’
Ze vraagt de leerlingen waaraan je kunt zien dat iemand iets eng vindt. Lucia zegt: ‘Dan kijk je zo…’ Ze maakt haar ogen groot en opent haar mond. Britt laat alle leerlingen ‘eng’ kijken. Dan deelt ze tekenblaadjes uit en spiegeltjes. Met zwarte pen tekenen de leerlingen hun eigen gezicht als ze iets eng vinden.

Les 2. De volgende dag laat Britt de leerlingen een portret kiezen waar ze goed aan kunnen zien dat het over iets engs gaat. De leerlingen kunnen dat goed verwoorden: ‘Omdat hij kaal is en geen armen heeft. En die ogen hebben hele kleine pupillen’. ‘Omdat haar mond een beetje openstaat en haar ogen zijn heel groot en haar pupillen zijn heel klein.’ ‘Omdat hij een roze gezicht heeft’.
Britt concludeert: ‘Dus je ziet dat iedereen een verschillende mening heeft. De tekeningen zien er allemaal anders uit. Sommigen lijken wel een beetje op elkaar, maar het is je eigen gevoel. Dat is bij iedereen een beetje anders.’

Les 3. Britt dramatiseert iets van de kermis dat ze eng vindt. Ze hobbelt op en neer, hangt schuin, zet haar mond in de gil-stand. De leerlingen raden: De calypso, het spookhuis, de botsautootjes. Het is de swing-mill. Britt zegt: Het kriebelde in mijn buik, en ik werd ook een beetje misselijk. Maar toe ik er weer uit kwam, vond ik het wel stoer dat ik erin geweest was.
De leerlingen bedenken in tweetallen een situatie die ze eng vonden, plezierig-eng of akelig eng. Vrijwilligers kiezen één scene en spelen die uit voor de klas. De anderen raden wat de situatie was. Achteraf constateert Britt, dat sommigen het toch heel spannend vinden om voor de klas te dramatiseren. De leerlingen vinden het ook moeilijk om te benoemen waar ze de ‘griezel’ voelden. De meesten zeggen: In mijn buik.

Ook meester Robert (groep 4) bouwde, naar aanleiding van het thema ‘Kermis’, een spookgang in zijn klas met tafels, doeken en griezelige objecten: spinrag, vette plastic spinnen, geraamtes en natte sponsen. Het licht ging uit, en meester Robert zette ook nog een cd met spookgeluiden op. De leerlingen kropen een voor een onder de tafels door. Er werd veel gegild, en sommige leerlingen konden nauwelijks hun mond houden tot iedereen geweest was. Uiteindelijk was er in beide klassen maar één leerling die niet durfde.
Tien kinderen vonden het spannend om door het spookhuis te gaan, vooral meisjes. Ze verwoorden hoe het voelde: Zineb: ‘kriebels in m’n buik’, Lauren: ‘ik krijg kriebels en het jeukt bijna overal en dan ga ik altijd helemaal in elkaar zitten.’ Sandra kreeg kippenvel en Lieke zegt: ‘toen ik het spannend voelde kreeg ik klappertanden.’ Robert zei achteraf: ‘het gesprek ging uitstekend. De leerlingen konden direct teruggrijpen op hun eigen ervaring. Ze hebben er dan woorden voor. En het bevordert de inleving enorm. Iedereen wilde erover praten, ook kinderen die anders nooit iets zeggen. Wel waren er meer meisjes dan jongens aan het woord, en bleven een paar jongens ‘stoer’ doen: ‘ik vond het helemaal niet eng. Maar de sfeer was voor iedereen veilig.’

Dramatiseren – een angstig avontuur: De leerlingen bedenken een situatie die ze eng vonden. In tweetallen bedenken ze er eentje die ze goed uit kunnen beelden. Ze oefenen hun ‘dramatisering’ en spelen de gekozen situatie uit voor de groep. De anderen raden om welke situatie het ging. Vervolgens vertellen de acteurs waar ze die emotie voelden in hun lichaam, en wanneer / hoe het gevoel weer stopte.