De familiemuur

Home → Thema’s & Lessen voor groep 1/2 → Bij ons thuis →


De familiemuur

Sociale relaties / bij ons thuis / familiemuur

‘Dit is mijn zusje en daar in de hoek zit opa Bram. Hij kan niet meer goed lopen’

Kern: De leerlingen vertellen over de mensen die het belangrijkst voor hen zijn en ervaren dat anderen ook in hun familie geïnteresseerd zijn.

Specifieke doelen Sociale Competentie:

  • De leerlingen weten dat hun thuis er ook op school toe doet
  • Ze weten dat ze trots kunnen zijn op hun gezin en familie
  • Ze tonen betrokkenheid bij anderen
  • Ze maken kennis met verschillende samenlevingsvormen
  • Ze leren elkaar beter kennen

Taal: tussendoelen EN
Vrijuit spreken
De leerlingen vertellen gemakkelijk omdat het onderwerp zeer nabij is
Kinderen hebben een positief zelfbeeld als spreker en luisteraar
De leerlingen zijn de deskundigen en ondervinden aandacht en interesse van hun klasgenoten.
Het taalgebruik non-verbaal ondersteunen
De leerlingen vertellen aan de hand van foto’s

Vooraf

Vraag de leerlingen om foto’s van thuis mee te brengen waar zijzelf op staan, ook toen ze nog veel kleiner waren, en hun familieleden. Of vraag de ouders om foto’s te scannen en te mailen naar het mailadres van de klas.
Plak de foto’s op een vel gekleurd A-4, eventueel samen met de leerling.
Reserveer bijvoorbeeld een week voor het bespreken van de A-4tjes, iedere dag een paar, of open iedere dag met een fotoblad, tot alle leerlingen aan de beurt geweest zijn.
Maak ruimte voor de familiemuur in de klas – alle A-4tjes moeten er (op ooghoogte) kunnen hangen
Print de foto’s of kopieer ze in kleur en plak ze op een groot vel.
Maak een fotoblad van jezelf, ook met een kinderfoto, en gezinsleden of familie. Zet er korte tekstjes bij.

Middelen

Een briefje voor de ouders
Gekleurde vellen A-4 voor iedere leerling
Lijm en een schaar.
Een multoband met zichtmappen voor ieder kind
Een weblog van de klas

Kringgesprek – introductie

Laat je eigen blad foto’s zien. Vertel er kort iets bij, en laat de leerlingen vragen stellen.
Vertel dat ieder van hen ook zo’n blad krijgt.

Kringesprekken – vervolg

Laat iedere dag een fotoblad of een paar fotobladen zien.
De leerling die dat willen, kunnen er zelf bij vertellen, en daarna kunnen vijf klasgenoten vragen wat ze willen weten.
Stel zelf verdiepende vragen: Wat weet je nog van het feest dat op die foto staat? Wat ben je hier aan het doen? Hoe heb je dat geleerd? Hier was je nog heel klein, wat kon je toen nog niet wat je nu wel kunt? Ging het vanzelf of heeft iemand je erbij geholpen?

Individueel – teksten schrijven

Na het kringgesprek en eventueel een gesprekje in een kleine groep of tweetal heeft de leerling voeding genoeg voor het bedenken van een korte tekst bij de enkele foto’s.
Ga met het kind apart zitten en vraag welke tekst het bij de foto’s wil. Sommigen kunnen misschien zelf al een paar woordjes schrijven. Help hen bij het noteren van de zinnetjes op aparte, gekleurde strookjes.
Plak de teksten op het fotoblad.

Juf Hanneke (groep 1 / 2) laat steeds een paar fotobladen tegelijk zien. Na een kort gesprek in de kring en maximaal 5 vragen gaan de leerlingen aan een tafeltje zitten met hun fotoblad. De kinderen zonder blad gaan bij een klasgenoot de foto’s bekijken, maximaal 3 per leerling. De hoofdpersoon geeft een toelichting, en de anderen stellen vragen. De andere kinderen blijken erg geïnteresseerd en hebben veel vragen.

De familiemuur

Hang de ‘familiebladen’ op kinderoog-hoogte bij elkaar aan de muur van de klas.

Het familieboek

Berg de bladen na een paar weken op in de multoband. Zet het klassen-familieboek in de boekenhoek en stimuleer de leerlingen om er af en toe nog eens in te kijken.
Je kunt er ook een ‘digitaal prentenboek’ van maken door de bladen te scannen en in een diashow te zetten. Publiceer die op het bureaublad van de klassencomputers.
Zet het digitaal prentenboek eventueel ook op het weblog van de klas.

Extra aandacht

Hang het fotoblad van een leerling in de klas, als daar aanleiding voor is, bijvoorbeeld als die leerling jarig is, of als leerlingen een paar dagen ziek zijn. Dan zijn ze er toch een beetje bij.