Oefenen met oplossen

Home → Thema’s & Lessen voor groep 1/2 → Conflicten oplossen →

 

Oefenen met oplossen

Sociale relaties / conflicten oplossen / oefenen met oplossen

‘Als ze boos is, dan moet je haar gaan kietelen, dan moet ze lachen’

Kern: De leerlingen denken na over de oplossingen die zijzelf en klasgenoten bedenken.

Specifieke doelen Sociale competentie:

  • De leerlingen krijgen inzicht in het ontstaan, verloop en oplossen van botsinkjes
  • Ze verplaatsen zich in de beleving van betrokkenen
  • Ze zien in dat ‘sorry’ zeggen niet altijd genoeg is
  • Ze denken na over handelingsalternatieven bij een ruzie of onenigheid
  • Ze leren hoe buitenstaanders kunnen helpen bij een ruzie of onenigheid

Taal: tussendoelen EN
Doelgericht taalgebruik in reële contexten
De leerlingen noemen handelingsalternatieven voor actuele botsinkjes
Reflectie op communicatie
De leerlingen zien in dat woorden (zoals sorry zeggen) alleen werken als ze gemeend zijn en ondersteund worden door gedrag.

Middelen
Printjes van 4 A-4tjes met OLGA (Ophouden, Luisteren maar, Goedmaken, Aaardig voor elkaar – zie de vorige pagina: Strubbelingen in de klas bespreken; Middelen).

Vooraf
Bedenk een samenwerkingsopdracht waarbij leerlingen materialen moeten delen.

Introductie in de kring

Kondig de opdracht aan en zeg dat de leerlingen gaan oefenen met samenwerken. Geef een minimale instructie, zodat de leerlingen zelf moeten uitzoeken hoe ze met het materiaal kunnen werken. Laat de leerlingen zelf koppels maken.

Koppels aan het werk

Loop rond en let op waar de groepsvorming of het samenwerken vastlopen. Ga daar direct op in. Houd de blaadjes met OLGA bij de hand en bespreek met het koppel wat er mis ging. Laat de stappen zien en laat hen invullen wat ze dan kunnen zeggen en doen. Houd het concreet en kort.

Juf Maria heeft de rekenspelletjes van groep 2 over de tafelgroepjes verdeeld. Voor een aantal leerlingen zijn ze te moeilijk. Bij sommige tweetallen gaat het dan ook mis. Suleyman pakt alle rekenblokjes en gaat er een toren mee bouwen. Zijn maatje zit erbij en doet niets. Viola zet de bak met figuurtjes om na te leggen aan haar kant, zodat de ander er niet bij kan. Maria loopt rond met het blaadje Luisteren maar en vraagt steeds: ‘Wat is er aan de hand? Waarom gaat het volgens jou niet goed?’ Bij Goedmaken: ‘Hoe kun je het beter doen? Je kunt sorry zeggen, of dat je niet weet hoe het spelletje moet. Dan leg ik het uit.’ En bij Aardig voor elkaar: ‘Kunnen jullie het nu zo doen dat jullie allebei tevreden zijn?’ Na Maria’s interventie gaan de leerlingen samen verder. Terug in de kring bespreekt Maria na wat er mis ging en hoe het tweetal er samen uit kwam.

Nabespreking

Vraag de leerlingen hoe het samenwerken ging. Laat een van de koppels die je hebt begeleid nog eens vertellen wat er gebeurde, en hoe ze het hebben opgelost met de stappen van OLGA. Zeg dat je de blaadjes als geheugensteuntje aan de muur hangt, zodat de leerlingen er even op kunnen kijken als ze niet meer precies weten wat ze kunnen doen als er iets mis gaat.
Onderbreek de leerlingen als ze elkaar gaan beschuldigen of ontkennen dat ze ruzie hadden.
Benadruk dat het gaat om he oefenen, opdat het voortaan nog plezieriger is in de klas.

Verwerking

Rollenspel: Sorry is niet altijd genoeg
Doe eventueel een rollenspel met een leerling die dat aankan en wil. Doe iets vervelends tegenover deze leerling en zeg dan ‘sorry’. Ga door met de leerling dwars zitten en zeg steeds alleen maar ‘sorry hoor!’ Vraag of de leerling het nog leuk vindt, hoe die zich voelt en of hij / zij boos is. Is sorry zeggen dan nog genoeg?
Vraag de anderen om tips te geven voor hoe je het beter kunt doen.
Probeer de tips uit en vraag de meespelend leerling of die het een goed idee vindt.
Sluit af door te zeggen dat ‘sorry’ alleen werkt als je het echt meent, en dat je dan ook nog iets erna moet doen om het weer goed te maken.

In de groep van juf Maria (groep 1 2) zegt Suleyman in het gesprek over OLGA ‘Als je iemand gaat pesten, moet je sorry zeggen.’ Juf Maria gaat erop in: ‘Is het dan weer goed?’
Suleyman knikt.
Juf Maria: ‘Dus dan kan ik dit wel doen’. Ze loopt naar Amina (die al heeft gezegd dat ze mee wil doen) en zegt: ‘Ik vind jou niet aardig’. Juf Maria heeft Amina een duwtje op haar schouder en zegt: ‘O, sorry hoor, ik zal het niet meer doen. Is het dan goed?’
Leerlingen: ‘Nee…’
Nu trekt juf Maria trekt zachtjes aan Amina’s haar en zegt: ‘O, sorry hoor!’
De leerlingen lachen. Juf Maria vraagt: ‘Amina, is sorry nog steeds genoeg voor jou?’
Amina: ‘Nee’.
Suleyman: ‘Als je sorry hebt gezegd moet je weg gaan’.
Juf Maria: ‘Even denken hoor, ik heb nu drie keer sorry gezegd en dan moet ik bij Amina weglopen. Dat vindt ze denk ik niet leuk’. Zohra: ‘Je moet wat aardigs doen.’
Bonita: ‘Dan moet je haar gaan kietelen, dan gaat ze lachen.
Juf Maria: ‘Ik weet niet of Amina dat leuk vindt. Ik ga het even proberen, willen jullie met mij meekijken? Amina, ik ga nu niet alleen sorry zeggen maar ook wat aardigs doen, tenminste, ik hoop dat je het aardig vindt.’
Juf Maria kietelt Amina op haar buik en vraagt: ‘Vind je dat leuk?’
Amina: ‘Nee.’
Juf Maria: ‘Okee, dus dat is niet aardig dan. Wat voor aardigs kan ik dan bedenken?’
Emir: ‘Een kusje op haar wang geven.’
Juf Maria: ‘Een kusje, dat vind eigenlijk aardiger dan alleen maar sorry zeggen. Mag ik het met een vliegkus doen?’
Leerlingen: ‘Ja’.
Juf Maria blaast een zoen naar Amina toe en vraagt: ‘Is het nou weer beter zo?’
Amina schudt van nee.
Juf Maria: ‘O jee, ja, Amina denkt ook: je hebt me geduwd en aan m’n haren getrokken, en dan éen kusje. Ja daag, daar doe ik het niet voor. Ik moet toch wat aardigers bedenken’. Ze aait Amina over haar bol en zegt: ‘Je laat me wel nadenken hoor!’
Celia: ‘Kietelen onder haar armen.’
Juf Maria: ‘Ik ga het eerst maar even aan haar vragen. Ze is nu flink boos op mij, en terecht. Amina, als ik je even onder je armen ga kietelen, vind jij dat aardig?’
Amina schudt van nee.
Juf Maria: ‘Nee, zie je. Wie heeft een idee?’
Suleyman: ‘Je moet grappig doen, als een clown.’
Juf Maria: ‘Maar kijk even naar Amina, ze is echt heel boos. En dan ga ik zo doen (maakt een lange neus voor haar gezicht). Wat gebeurt er dan bij Amina?
Suleyman: ‘Dan moet ze lachen.’
Juf Maria: ‘Vindt zij dat dan grappig? Denk even na, ze is boos, en dan doe ik zo (maakt een lange neus), wat denkt zij dan?’
Zohra: ‘Je lacht haar uit.’
Juf Maria: ‘Ja, ze denkt dat ik haar in de maling neem. Dat is dus helemaal niet aardig. Wie kan mij nou helpen door echt iets aardigs te bedenken voor Amina, dat ze niet meer boos op me is en straks wel weer gezellig met mij wil samenspelen. Want dat wil ze nu ook niet meer, toch?’
Amina: ‘Nee.’
Juf Maria: ‘Ja ik snap het. Wat kan ik dan doen?’
Zohra: ‘Samen naar huis gaan en gaan spelen.’
Juf Maria: ‘Even checken. Amina, ik begrijp dat je heel boos bent, want ik was heel gemeen hè, zou jij het leuk vinden om met mij mee naar huis te gaan, gaan we voor de spiegel, dan gaan we met mama’s makeup gaan we ons mooi maken. Zou jij dat leuk vinden?’
Amina: ‘Nee.’
Juf Maria: Oei, ze is erg boos.
Leerlingen: ‘Ik weet het, Ik weet het!’
Zohra: ‘Je moet haar als eerste laten kiezen.’
Juf Maria: ‘O, dat vind ik ook heel aardig, ga ik even proberen. Amina, Als jij nou straks als eerste gaat kiezen, is het dan weer goed? Mag jij als eerste kiezen, en dan wacht ik.’
Amina denkt even na en zegt dan: ‘Ga je niet vergeten dat ik als eerste mocht kiezen?’
JufMaria: ‘Nee, ik ga het niet vergeten, dat beloof ik je. Jij mag straks als eerste kiezen. Ben je dan niet meer boos op mij?’
Amina: ‘Nee.’
Juf Maria: ‘O, gelukkig. Hè, hè, dat was lastig. Gelukkig hielpen de anderen me door mee te denken. Ik vond het hartstikke goed van jou, Amina, want je liet echt zien dat je boos was.’

Vervolgactiviteit

Bestendigen
Hang de blaadjes met OLGA aan de muur en kom er regelmatig op terug als zich botsinkjes voordoen. Let op of leerlingen zelf ruzie weten te voorkomen of oplossen en haal die ‘goede voorbeelden’ naar voren. Laat leerlingen, als het mis gaat, in een klein groepje bespreken hoe het anders kan en later in de hele groep vertellen hoe ze eruit gekomen zijn.

Kun je het ook anders vragen?
Direct na een oefening met conflictoplossen van juf Maria (groep 1 / 2) gaat Emir een rekenspelletje doen op de computer. Jochem gaat achter hem staan en begint hardop mee te tellen. Emir draait zich boos om en snauwt: ‘Niet meetellen, Jochem!’ Jochem kijkt beteuterd. Juf Els vraagt: ‘Emir, kijk eens naar Jochem, hij is nu heel verdrietig. Kun je het ook op een andere manier vragen?’
Emir zegt met een vriendelijke stem: ‘Jochem, wil je alsjeblieft niet meetellen?’ ‘Okee’, antwoordt Jochem. Hij blijft staan kijken maar houdt nu zijn mond. Juf Els geeft Emir een compliment over zijn vriendelijke vraag.