Wie helpt mee?

Home → Thema’s & Lessen voor groep 1/2 → Wij helpen elkaar →

 

Wie helpt mee?

De groep / wij helpen elkaar / wie helpt mee?

‘Jordi helpt vaak met vegen; wie wil dat ook wel eens doen?’

Kern: De leerlingen weten dat ze bij kunnen dragen aan de klassenomgeving en zijn daartoe bereid.

Specifieke doelen Sociale Competentie:

  • De leerlingen krijgen oog voor hun omgeving
  • Ze voelen zich verantwoordelijk voor de groep als geheel
  • Ze krijgen vertrouwen in hun eigen mogelijkheden om bij te dragen

Taal: tussendoelen EN
Doelgericht taalgebruik in reële contexten
De leerlingen benoemen taken die horen bij de dagelijkse gang van zaken in de klas
Uitbreiding, verdieping en verbreding van de woordenschat
De leerlingen leren in een concrete context woorden voor alledaagse handelingen / attributen en de betekenisnuances van kunnen, willen en moeten
Communicatie: Kinderen weten dat geschreven teksten een communicatief doel hebben
De leerlingen kunnen de symbolen in taakschema’s interpreteren en ze weten dat de bijbehorende woorden te lezen zijn

Kringgesprek

Noem een bijdrage die een leerling uit zichzelf al levert zoals juf Joke (groep 2 / 3) die het gesprek begon met: ‘Jordi veegt vaak de klas als de anderen al weg zijn’. Zeg dat je het fijn vindt als leerlingen ook opletten wat er moet gebeuren en meehelpen om alles goed te laten gaan. Laat de leerlingen om zich heen kijken en vraag hen op te noemen wat er in de klas allemaal moet gebeuren. Iedere dag, of af en toe. Inventariseer op het bord en breng leerlingen op ideeën als ze niet verder komen dan de hoeken opruimen en vegen: het digitale foto / video apparaat opladen, foto’s / filmpjes op de PC zetten, de stempeldozen opruimen met de letters in de juiste volgorde en suggereer extra activiteiten, zoals de presentielijst bijhouden met behulp van een namenlijst met foto’s of hulpkind zijn om een nieuwe leerling wegwijs te maken in de klas. Bekijk samen wat iedere dag moet gebeuren en wat soms. Vraag wie ergens mee wil helpen, en kies twee klasgenoten om het samen te doen. Kies alleen vrijwilligers; wie niet wil, hoeft niets te doen. Benadruk dat ook andere dingen belangrijk zijn, zoals besproken bij Iedereen telt mee (activiteit 1): elkaar helpen, vriendelijk zijn, ideeën verzinnen, handig zijn. Vraag wat de leerlingen ervan vinden om de uitvoerders van taken aan het eind van de week een sticker te geven, of hebben ze ideeën voor een andere ‘beloning’?

Vervolgactiviteiten

Takenlijst maken
Kies met de leerlingen een paar taken, maak er een symbool bij (eventueel met een foto die de leerlingen zelf maken) en hang de lijst op met de namen van leerlingen die een week die taak verzorgen. Bespreek eind van de week na, maak op maandag een nieuwe lijst en stimuleer nieuwe leerlingen om mee te doen, en vraag of er nog taken bij moeten of misschien af kunnen.)

Woordveld
Maak eventueel bij schoonmaken een woordveld, laat de attributen zien en demonstreer of laat leerlingen voordoen hoe je ze gebruikt: dweil, emmer, bezem, gieter, blik en veger, zeep, afwasmiddel etc.

Persoonlijke gesprekken
Praat ev. apart met leerlingen van wie je denkt dat ze wel iets kunnen maar zich niet melden: willen ze het eens proberen? Accentueer dat ze belangrijk werk doen voor de hele groep.

Bij juf Maria (groep 1 / 2) is een tweetal steeds een week verantwoordelijk voor de pullenbak. Voor het eten-en-drinken zetten ze die om de beurt in de kring, en ze zorgen ervoor dat klasgenoten hun lege drankpakjes, schillen en papiertjes er netjes ingooien. Ook houden ze in de gaten of de prullenbak al leeggemaakt moet worden. Er zijn altijd vrijwilligers die de prullenbak-taak op zich willen nemen. Juf Maria ziet dat ook andere leerlingen zich verantwoordelijk voelen voor de klassenomgeving. Ze besluit meer taken in te voeren die de kinderen van groep 2 in tweetallen uit kunnen voeren zodat ze elkaar eraan kunnen herinneren en kunnen helpen. Omdat ze zelf de planten vaak vergeet, vraagt ze of twee leerlingen zich erover willen ontfermen. De potten staan in de vensterbank in de zon en moeten regelmatig vervangen worden omdat ze uitgedroogd zijn. Na een paar weken staan uitgebloeide chrysanten weer vol in de bloemen. Juf Maria bedankt het tweetal en vraagt of anderen het ook eens willen proberen, eventueel samen met een van degenen die het al gedaan hebben.

Juf Hanneke (groep 2) werkt met hulpjes in de klas, die de hele dag naast haar mogen zitten in de kring en helpen met uitdelen van spullen of een boodschapje doen. Op een dag is Kars haar hulp. Hij heeft een lastige positie in de klas. Steeds als er iets mis gaat, wijzen de andere leerlingen naar hem. Soms organiseert hij een ‘oorlog’ tegen een paar klasgenoten, waar anderen dan ook aan mee gaan doen. Juf Hanneke praat er met hem over: ‘De kinderen geven jou vaak de schuld als er iets is gebeurd. Ook als je het niet hebt gedaan, en dat is heel vaak zo. Hoe denk je dat dat komt?’ Kars antwoordt: ‘Als een kind iets doet, dan doe ik ook iets’. Hanneke doorbreekt de negatieve sfeer door hem vertrouwen te geven. Op de dag dat hij met de andere ‘hulp’ als eerste naar buiten mag, voor de rij uit, zegt ze: ‘Ik weet zeker dat je dat kan, zonder problemen’. Kars houdt zich aan de regels, en na afloop zegt Hanneke: ‘Wat ging ’t goed! Knap hoor, dat je dat nu kunt.’